Taalunie Onderwijsprijs 2006
1. Taalunie Onderwijsprijs
Op initiatief van het Platform Onderwijs Nederlands (PON) stelde de Nederlandse Taalunie een jaarlijkse prijs in voor projecten of scholen die zich op een innovatieve en doeltreffende wijze onderscheiden op het gebied van onderwijs in en van de Nederlandse taal. In 2000 werd de prijs een eerste maal uitgereikt aan een project voor het basisonderwijs, De Babbeldoos. In 2001 werd de prijs uitgereikt aan een project voor het voortgezet/secundair onderwijs, Luisteren en spreken. De Taalunie Onderwijsprijs heeft in 2003 een hervorming ondergaan en wordt sindsdien tweejaarlijks uitgereikt aan een project voor het basisonderwijs en aan een project voor het voortgezet/secundair onderwijs. In 2004 waren dat Het verhalenatelier voor het basisonderwijs en Bazar Zeeland voor het voortgezet/secundair onderwijs.
De belangrijkste doelstelling die de Taalunie nastreeft met de Onderwijsprijs is het geven van een stimulans aan scholen om op een innovatieve en doeltreffende manier om te gaan met onderwijs in en van het Nederlands.
Het geven van deze stimulans ziet zich vertaald in drie zaken:
een geldprijs van 8000 voor de winnende scholen of de winnende projecten;
positieve media-aandacht voor de genomineerde scholen of projecten en in het bijzonder voor de winnende scholen;
de mogelijkheid voor de genomineerde scholen of projecten om kennis en inzichten te verspreiden en om tot uitwisseling met anderen uit het veld te komen, onder meer door beschrijvingen van de projecten op het internet en het maken van minidocumentaires van de genomineerde projecten.
De doelgroep voor de prijs bestaat uit scholen voor basis- en voortgezet/secundair onderwijs in Nederland en Vlaanderen. Een school kan alleen insturen, maar projecten die breder dan een school lopen kunnen ook meedingen.
Projecten of scholen die in aanmerking willen komen om door de jury beoordeeld te worden, moeten in ieder geval aan de volgende voorwaarden voldoen:
het project moet gericht zijn op het bevorderen van de taalvaardigheid van leerlingen. Dit kan op afzonderlijke deelgebieden betrekking hebben: leesbevordering, ICT-gebruik, tutorsystemen om leerlingen te ondersteunen, enz. Ook projecten die gericht zijn op de integratie van de verschillende vaardigheden/aspecten, zoals bijvoorbeeld de geintegreerde aanpak voor allochtone en autochtone leerlingen, komen in aanmerking voor de prijs, evenals projecten gericht op taalgericht vakonderwijs;
het project moet breed gedragen en geimplementeerd zijn binnen de school of de groep van scholen;
positieve effecten van het project op leerlingen moeten op een of andere manier zichtbaar gemaakt zijn, bij voorbeeld d.m.v. toetsresultaten;
de principes of uitwerkingen van het project zouden overdraagbaar moeten zijn op andere scholen.
Verder let de jury op innovativiteit, doeltreffendheid en integratie in het reguliere onderwijs Nederlands.
2. Taalunie Onderwijsprijs 2006
De prijs voor het jaar 2006 gaat naar twee projecten: een project voor het basisonderwijs en een project voor het voortgezet/secundair onderwijs.
2.1 Basisonderwijs
Er werden tien projecten ingezonden waarvan er negen doorgingen naar de tweede ronde, vier uit Vlaanderen en vijf uit Nederland. Vier projecten werden ingediend door een school, vijf door een groep van met elkaar samenwerkende scholen. Drie projecten waren afkomstig uit het speciaal of buitengewoon onderwijs, zes uit het reguliere basisonderwijs. Deze projecten werden bezocht door een prospector die een uitgebreid dossier samenstelde op basis waarvan de jury zich een oordeel kon vormen over de verschillende projecten. Elk dossier heeft de jury beoordeeld op basis van de hierboven genoemde criteria.
De jury neemt de vrijheid om tegen de achtergrond van bovenstaande criteria over de ingediende projecten enkele opmerkingen van algemene aard te maken.
In de eerste plaats merkt de jury op dat het innovatieve karakter van nagenoeg alle projecten vooral gelegen is in het verbeteren van de bestaande onderwijspraktijk. Zo gaat het onder meer om het verbeteren van de resultaten bij het onderwijs in technisch lezen, om het nog sterker en systematischer stimuleren van de leesbeleving, om het beter op elkaar afstemmen van individualiserend onderwijs (Montessori) en het geven van instructie bij begrijpend lezen, en om het versterken van de samenwerking tussen school en ouders. Dit verwondert de jury niet. Projecten uit het basisonderwijs hebben vaak een sterk praktijkgericht karakter.
In de tweede plaats valt het de jury op dat relatief veel projecten, namelijk zeven de negen, betrekking hebben op het onderwijs in lezen (inclusief woordenschatontwikkeling). In een aantal projecten wordt geprobeerd de resultaten van het onderwijs in lezen met het accent op techniek te verbeteren. Bij andere projecten gaat het om het verbeteren van de leesbeleving door een reeks van losse activiteiten op elkaar af te stemmen of door het verwoorden van leeservaringen in een logboek. In een project is het streven erop gericht de ontwikkeling van de woordenschat een impuls te geven door het combineren van woorden en beelden. Bij dit alles is het interessant om te constateren dat voor het oplossen van hetzelfde probleem verschillende wegen worden ingeslagen. Zo probeert men op een groep van scholen voor speciaal (bijzonder) basisonderwijs de resultaten bij technisch lezen te verbeteren via het toepassen van een gedetailleerde, nauwkeurig voorgeschreven strategie. Op een andere school van hetzelfde type probeert men hetzelfde te doen via een reeks van losse activiteiten die een sterk beroep doen op de zelfstandige verwerking door de leerlingen.
In de derde plaats merkt de jury op dat zeven van de negen projecten afkomstig zijn van scholen met relatief veel leerlingen die van huis uit een andere moedertaal spreken dan de Nederlandse en leerlingen met een vertraagde dan wel moeizaam verlopende taalontwikkeling. Ook dit gegeven verwondert de jury niet. Zij vindt het begrijpelijk dat juist bij het onderwijs aan leerlingen bij wie de taalontwikkeling niet gemakkelijk of vanzelfsprekend verloopt, de beperkingen van gebruikelijke routines en in gebruik zijnde onderwijsleermaterialen zich het eerst doen voelen.
In de vierde en laatste plaats valt het de jury op dat van slechts twee projecten gegevens over de resultaten beschikbaar zijn. Vaststellen van wat is bereikt, is kennelijk lastig gebleken. Wellicht hangt dit opnieuw samen met het feit dat het voornamelijk gaat om projecten die in de praktijk van alledag zijn ontstaan.
De jury hecht er aan met nadruk op te merken dat zij met veel waardering de projecten heeft bezien. Alle projecten getuigen van een geweldige inzet voor de taalontwikkeling van de leerlingen. Meer in het bijzonder getuigen ze van een intense betrokkenheid bij de belangen van vooral die leerlingen die voor hun taalontwikkeling in overwegende mate afhankelijk zijn van de inspanningen van de school. De projecten komen voort uit een hartverwarmend engagement voor de leerlingen die de betreffende scholen aan zich toevertrouwd weten.
Uit het voorafgaande blijkt reeds dat het voor de jury niet eenvoudig was de eerder omschreven criteria in alle gevallen precies en op dezelfde manier toe te passen. Het was onmogelijk om, in een volgorde van voorkeur, diverse projecten te nomineren voor de Onderwijsprijs 2006. De kwaliteit van een aantal projecten verschilt weinig. Het ene project nomineren zou, naar de mening van de jury, inhouden dat het andere te kort wordt gedaan. Daarom heeft de jury besloten slechts een project te nomineren. Dit betekent dat de Taalunie Onderwijsprijs voor het basisonderwijs gaat naar:
De Verteltas van Montessorischool de Regenboog te Amsterdam
In dit project maken ouders en leerkrachten aantrekkelijk vormgegeven stoffen tassen die een prentenboek bevatten om (interactief) uit voor te lezen en diverse spel- en leermaterialen die het thema van het prentenboek tastbaar maken. Elke verteltas biedt bovendien een cd met het verhaal, als ondersteuning voor ouders met een beperkte taalvaardigheid in het Nederlands. De leerkrachten en leidsters gebruiken de verteltassen op verschillende niveaus en in verschillende situaties en de kinderen mogen de tas ook meenemen om er thuis met hun ouders aan te werken.
Door het werken met de verteltassen wordt de leesomgeving en de taalontwikkeling van de kinderen en de ouders versterkt en samenwerking gerealiseerd tussen thuis, school en peuterspeelzaal.
Dit is niet het eerste project met als doel het stimuleren van de taalontwikkeling van (onder meer anderstalige) kinderen en hun ouders. Het is evenmin het eerste project waarbij allochtone ouders van in het beginstadium betrokken worden. Wat de jury echter enorm charmeerde, was de warmte en het enthousiasme die dit project uitstraalt en de aantrekkelijke vorm die men koos: de verteltas.
Die vorm brengt met zich mee dat zowel de (anderstalige) ouders als de kinderen via de inhoud van de tas kennismaken met tot dusver onbekende verhalen en boeken. In een speelse benadering is het kind niet afhankelijk van de Nederlandse taalvaardigheid van de ouders. Het verhaal kan immers ook beluisterd worden op een bijgeleverde cd.
De tassen zijn erg populair. Het grootste deel is voortdurend uitgeleend. Bovendien zijn ze inmiddels volledig opgenomen in de gang van zaken op school, waar ze ook gebruikt worden: door leraren, door ouders in het zogeheten Vertelhuisje, door oudere leerlingen die voorlezen aan de jongste kinderen. Ook in organisatorisch opzicht is het project in de schoolpraktijk verankerd: een commissie van ouders beheert en verzorgt de inmiddels omvangrijke collectie tassen (circa 80). De jury roemde de gevarieerde selectie van de tassen, het ruime en kwalitatief hoogstaande aanbod.
Naar de stellige indruk van de school gaat van het gebruik van de verteltassen een stimulerende en verrijkende werking uit op de taalontwikkeling van de leerlingen (en hun ouders). In welke mate dat het geval is, moet echter nog worden vastgesteld.
Ten slotte heeft de jury overwogen dat het project op relatief eenvoudige wijze ook op andere scholen kan worden uitgevoerd, mede dankzij het ontwikkelde Handboek Verteltassen en een trainingsboek voor lerarenopleiders en schoolbegeleiders.
2.2 Voortgezet/secundair onderwijs
Er werden zeven projecten ingezonden voor het voortgezet/secundair onderwijs. Zes projecten gingen door naar de tweede ronde, vijf uit Vlaanderen en een uit Nederland. Deze projecten werden bezocht door een prospector die een uitgebreid dossier samenstelde op basis waarvan de jury zich een oordeel kon vormen over de verschillende projecten. De prospectoren bezochten scholen en betrokken instellingen die zich op enthousiaste wijze inzetten voor het onderwijs in en van het Nederlands. De gedrevenheid van sommige leerkrachten die in hun eentje of met beperkte middelen erin slaagden om hun leerlingen enthousiast te maken voor het vak Nederlands was opvallend en lovenswaardig.
Drie projecten werden genomineerd voor de Taalunie Onderwijsprijs 2006.
Gedichtenroutes door de stad van Berkenboom Humaniora uit Sint-Niklaas
Creatief omgaan met poezie: daarvoor trekt het Instituut Berkenboom in Sint-Niklaas op de Gedichtendag alle registers open. De zesdejaars werken een compleet en gevarieerd poezieproject uit, zoeken hiervoor locaties in de stad en nodigen de rest van de school uit om met hun creaties kennis te maken langs twee poezieroutes. Niet alleen oefenen de leerlingen hun taalvaardigheid, ze krijgen een groter hart voor poezie en leren tegelijk organiseren en hun verantwoordelijkheid nemen.
De jury vond het interessant de groei van dit project te observeren. De prospector die de school bezocht, verwoordde het als volgt: Wat eerst een klasgebeuren was, werd een schoolgebeuren en nu gaat men buiten de school de stad in. Deze brede schoolwerking en de aandacht voor de verschillende culturen van de leerlingen trok de aandacht van de jury.
Alle leerlingen van Berkenboom worden bij de Gedichtendag betrokken en de hele school wordt omgetoverd tot een poeziepaleis. De voornaamste spelers zijn echter de laatstejaars. Zij organiseren de Gedichtendag zelfstandig. Hun leerkrachten vervullen enkel een coachende rol. De leerlingen kunnen een creatieve rol op zich nemen (het voordragen van gedichten, het uitwerken van een creatief concept voor een bepaalde locatie in de stad, het versieren van de school) of een organisatorische functie (het uitstippelen van diverse routes en andere logistieke taken). Hoe gemotiveerd de laatstejaars raken binnen dit project blijkt ook duidelijk uit het feit dat ze veel vrije tijd investeren in het opzetten en uitwerken van hun ideeen.
De zelfstandigheid van de leerlingen, de verschillende werkvormen (muziek, theater, voordracht), de voorrang van het proces op het product en het accent op het eigen talent konden op veel waardering van de jury rekenen. De voorstellingen op Gedichtendag en de zorgvuldig uitgewerkte routes zijn resultaten waar de leerlingen terecht trots op zijn. Door dit project hebben zij niet alleen poezie leren waarderen, maar vaak ook een stuk zelfbewustzijn en zelfstandigheid gewonnen. De positieve feedback die ze krijgen van leerkrachten en medeleerlingen uit de hele school op de producten of voorstellingen die zij eigenhandig gecreeerd hebben, zorgt voor een belangrijke impuls in hun eigenwaarde. Zowel bij de jongeren uit het algemeen secundair onderwijs als bij deze uit de technische richting van Berkenboom.
De jury wil Berkenboom een aantal tips meegeven voor een verdere verdieping en optimalisering van het project Gedichtenroutes door de stad:
het project kan nog beter geintegreerd worden in het reguliere onderwijs Nederlands en het curriculum;
het is belangrijk om een doorgaande leerlijn te creeren. Nu verdwijnt de dynamiek samen met de zesdejaars. Er zou reeds in vroegere leerjaren bewust op een creatieve manier omgegaan kunnen worden met poezie;
het leereffect bij de leerlingen is niet duidelijk en niet onderzocht. Er kunnen heldere leerdoelen gekoppeld worden aan het project waardoor het eveneens makkelijker wordt om het leerproces van de leerlingen binnen dit project te evalueren.
Digitaal vertellen
Voor sommige leerlingen zijn taaltaken wel een bijzonder hoge berg om tegenaan te kijken. Tot ze die berg zelf vorm mogen geven. Digitaal vertellen is een multimediaal project van Schooltv waar leerlingen van de meest uiteenlopende onderwijsniveaus mee aan de slag kunnen. Leerlingen vertalen een verhaal in beeld en geluid en leren op die manier basisprincipes uit de camerawereld. Tijdens de lessen Nederlands leren ze een scenario, script en storyboard maken. In de daaropvolgende workshop maken ze een filmpje.
De grote kracht van het project Digitaal vertellen is het functionele kader dat het biedt waarin leerlingen op een zinvolle, plezierige, creatieve manier bezig zijn met het schrijven en bewerken van verhalen. De taakgerichte aanpak en het aantrekkelijke eindresultaat motiveert de jongeren. Het project stimuleert gesprekken in de klas. De jury was onder de indruk van de doordachte didactiek die hierachter schuilt waarbinnen reflectie en peer-evaluatie een belangrijke plaats innemen.
Bovendien sluit het project perfect aan bij de leefwereld van de jongeren, die dag in dag uit geconfronteerd worden met en leven in een beeldcultuur. Doordat de eindproducten van de jongeren, de afgewerkte clips, vertoond worden op Teleac, krijg je een proces waarin leerlingen schooltv maken voor andere leerlingen. Een mooi gegeven. De jury prijst verder de vakoverschrijdende opzet en het innovatieve karakter van het project. Voor het vak Nederlands en het curriculum vormt Digitaal vertellen een nieuwe aanpak.
De jury stelt zich echter wel vragen bij de overdraagbaarheid en mogelijke verdere verspreiding van Digitaal vertellen. Teleac en de clipcoach die zij uitzenden, vormen immers een onmisbare schakel. Het zou lovenswaardig zijn om uit te zoeken of er aan dit project geen train de trainer-traject gekoppeld kan worden waarin de leerkrachten Nederlands of culturele vorming opgeleid worden om zelf de taken van de clipcoach over te nemen in de toekomst. Een tweede mogelijke verdiepingsstap zou ook zijn om er nog een aspect van reflectie op massamedia en informatiestromen aan te verbinden. Jongeren worden geconfronteerd met de huidige beeldcultuur zonder wapens om er kritisch mee te leren omgaan. Deze leegte zou gekoppeld aan een project als Digitaal vertellen opgevuld kunnen worden.
Twee projecten van het Provinciaal Technisch Instituut uit Eeklo
Het Provinciaal Technisch Instituut (PTI) uit Eeklo verdient de hoogste lof en los van beide projecten wil de jury de school een pluim geven voor de manier waarop zij omgaat met taal en in het bijzonder met taal gekoppeld aan de praktijkvakken. Uit beide projecten blijkt dat het Nederlands op het PTI de plek krijgt dat het verdient en dit alles gericht op een doelgroep waarvoor taalonderwijs niet vanzelfsprekend is.
Veroordeeld tot gedichten
Poezie is iets voor meisjes. Dat vooroordeel leeft sterk bij jongens uit het technisch en beroepsonderwijs. Met traditionele lesmethodes slaagt de leraar Nederlands er niet in daar verandering in te brengen. Daarom kiest het PTI Eeklo voor een meer projectmatige aanpak. Vier jaar lang, van het derde tot het zesde jaar, zijn leerlingen taakgericht en creatief met poezie bezig. Hun persoonlijke belevenissen en hun leefwereld staan daarbij centraal. Naast literatuuronderwijs krijgen ook taalvaardigheid en sociale vaardigheden een belangrijke plaats. Het resultaat is zoveel als een omwenteling.
De jury was erg onder de indruk van dit poezieproject waarin een moeilijke doelgroep op een hoogstaand niveau poezie leert te waarderen en te analyseren. De valkuil van het traditionele poezieonderwijs dat uitsluitend uit analyse bestaat, wordt hier vakkundig vermeden. Het poezieonderwijs wordt gekoppeld aan een productieproces dat de creativiteit van de jongeren aanspreekt, maar waarin analyse evenmin ontbreekt. De jongeren luisteren naar elkaar en beoordelen elkaars werkstukken en gedichtenkeuze (peer-evaluatie). De jury noemde het project een verademing en gebruikte woorden als: verrassend, innovatief en getuigend van veel durf gezien de doelgroep. Als positieve elementen roemde de jury ook nog de doorlopende leerlijn (het project loopt over drie jaren en leerlingen groeien erin mee), de integratie in het reguliere onderwijs Nederlands en de eenvoudige transfermogelijkheden naar andere scholen die hiermee aan de slag zouden willen gaan.
Als aandachtspunten wilde de jury meegeven dat de evaluatie van het gehele proces en de eindproducten bewaakt moet worden en dat het project op dit ogenblik gedragen wordt door een gedreven leerkracht. Verdere inbedding in de school of een breder draagvlak zouden deze kwetsbare positie kunnen verstevigen.
Een stap in het onbekende
We onthouden negentig procent van wat we zelf aan iemand uitleggen. Dit pedagogisch paradigma zet het PTI Eeklo heel doelgericht om in de praktijk. De vierdejaars Bouw (beroepsonderwijs) van de school gaan op bezoek bij de leerlingen Drama van een school in Goes en krijgen er een theaterinitiatie met als eindpunt: zelf een voorstelling geven. Op hun beurt krijgen de leerlingen Drama initiatielessen decorbouw van het vierde Bouw. Daarnaast zakken vierdejaars Consumptief vanuit Goes naar Eeklo af om een muur te leren metselen. De Eeklose leerlingen ontwikkelen daarvoor een presentatie en lesmateriaal. Eenvoudige en efficiente communicatie staat centraal in dit project, dat een schoolvoorbeeld is van taakgericht taalonderwijs.
De jury was vol lof over dit project en roemde het schoolbrede draagvlak, de samenwerking tussen praktijkleerkrachten en taalleerkrachten, de eenvoudige overdraagbaarheid naar andere scholen en de integratie in het reguliere onderwijs Nederlands. De functionele aanpak waarin eenvoudige leersituaties gecreeerd worden en de nodige taalvaardigheden in een natuurlijke context aan bod komen, verdient volgens de jury navolging. De leerlingen uit de doelgroep zijn vaak moeilijk te motiveren en hebben echt baat bij dit project waarmee de kloof tussen theorie- en praktijklessen gedicht wordt en zijzelf het nut van taal en communicatie inzien. De uitwisseling tussen Nederland en Vlaanderen biedt nog een extra dimensie. Het vergroot de horizon van de leerlingen en brengt hen in contact met een tikje andere cultuur en een tikje ander taalgebruik van het buurland.
De prospector die de school bezocht vond de resultaten indrukwekkend in al hun eenvoud en daar was de jury het volmondig mee eens. Met eenvoudige middelen worden prachtige leerresultaten geboekt. Een gouden greep, noemde de jury het project.
De jury heeft dan ook besloten om het Provinciaal Technisch Instituut met beide projecten, Veroordeeld tot een gedicht en Een stap in het onbekende, uit te roepen tot winnaar van de Taalunie Onderwijsprijs 2006 voor het voortgezet/secundair onderwijs.
©
Nederlandse Taalunie, 2000-2008 alle rechten voorbehouden
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties
